Beheerders van stroomnetten hebben nu al moeite huishoudens en bedrijven van nieuwe aansluitingen te voorzien. En in Amsterdam kan er de komende tijd zelfs geen datacenter meer bij, want het elektriciteitsnetwerk is ‘vol’. Hoe kan dat in vredesnaam? En kan het nog erger? Ja!

IN AMSTERDAM IS DE STROOM OP: DAT KAN TOCH HELEMAAL NIET?

Nee, dan kan inderdaad niet. Het gaat er meer om dat het elektriciteitsnetwerk in de regio Amsterdam niet méér stroom kan verwerken. En die stroom is onder meer nodig voor de datacenters die zich graag in de regio vestigen. Eén datacenter gebruikt evenveel stroom als 30.000 tot 40.000 huishoudens, en is daarmee goed voor 10 procent van de Amsterdamse stroombehoefte. Als er (tijdelijk) geen nieuwe datacenters meer bij kunnen, gaat dat ten koste van de positie van Nederland als digital gateway. Ook voor de al aanwezige ict-bedrijven wordt Nederland dan minder interessant.

WAT DOET WWN DATACENTER MET AL DIE STROOM?

Een datacenter is eigenlijk een concentratie van ict. De ict die voorheen bij bedrijven stond, bijvoorbeeld in de vorm van servers, staat nu bij datacenters. Die kunnen efficiënter werken dan hun klanten ieder voor zich. Die samenballing van ict betekent wel dat datacenters behoorlijke stroomslurpers zijn. Daar staat tegenover dat 80 procent van de stroom duurzaam wordt ingekocht. En met de restwarmte die al die ict oplevert, kan een miljoen huizen worden verwarmd. Vorig jaar hebben de datacenters die restwarmte gratis aangeboden.

WAAROM WILLEN DIE DATACENTERS ALLEMAAL IN AMSTERDAM ZITTEN?

Omdat Amsterdam AMS-IX heeft, de Amsterdam Internet Exchange, een van de grootste internetknooppunten ter wereld (samen met het Duitse DE-CIX). Datacenters willen zo dicht mogelijk bij dat knooppunt zitten, want afstand is snelheid op de digitale snelweg. Normaal betekent digitaal dat het niet uitmaakt waar bent (als er maar WIFI is), maar voor dit soort gespecialiseerde bedrijven voor wie internationale verbindingen cruciaal zijn, speelt de fysieke afstand dus nog steeds een grote rol.

Dat is jammer, want spreiding over het land zou het netwerkprobleem oplossen. Immers: hoe meer de stroomvraag wordt verdeeld over het land, hoe makkelijker het is om die stroom via het bestaande netwerk aan te bieden. Google heeft bijvoorbeeld een datacenter in de Eemshaven laten bouwen. Maar Google is dan ook groot genoeg om niet van ‘Amsterdam’ afhankelijk te zijn.

WAAROM IS HET AMSTERDAMSE STROOMNETWERK NIET GEWOON UITGEBREID?

Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Volgens netwerkbedrijf Alliander is de vraag naar (het transport van) stroom ‘explosief’ gegroeid. De recente economische groei leidt tot een toename van het aantal woningen en bedrijven, en dus het aantal aansluitingen. Daar komt de energietransitie bij, in de vorm van de aanleg van windmolen- en zonneparken. Nederland gaat van het gas over op stroom, dus wordt de druk op het stroomnetwerk alleen maar groter. Friesland heeft onlangs laten weten dat het om die reden niet kan voldoen aan alle driehonderd aanvragen voor aanleg van zonneparken daar.

 

1 DATACENTER IS GOED VOOR 10 PROCENT VAN DE AMSTERDAMSE STROOMBEHOEFTE

Straks sluiten we alles op stroom aan: de auto, de keuken en de pc. En dan ook nog eens op hetzelfde moment, bijvoorbeeld om 6 uur ’s avonds. Wat betekent dat voor het netwerk? Een storing of overbelasting kan grote gevolgen hebben. Kijk maar naar de recente ‘stroomdip’ op Schiphol, die leidde tot met koffers sleurende mensen op de snelweg. Kortom: we kunnen de groei aan stroomgebruikers niet bijbenen en worden steeds kwetsbaarder voor uitval.

UITBREIDING VAN HET STROOMNETWERK IS DUS SOWIESO NODIG. HOE DAN?

Energieminister Wiebes kan de netbeheerders opdragen om het netwerk uit te breiden. Die doen dat normaliter op basis van prognoses van de stroombehoefte in een gebied. Als het netwerk wordt uitgebreid, moet immers wel enigszins zeker zijn dat daar ook echt behoefte aan is. Met de energietransitie in het verschiet is dat allemaal moeilijker te voorspellen.

Daarnaast zijn de procedures voor netwerkuitbreiding nog geënt op de ‘oude’ energiewereld. Die procedures kunnen sneller. Want een datacenter vergt een bouwtijd van een jaar, en een zonnepark nog minder, terwijl uitbreiding van het netwerk vijf tot zeven jaar vergt vanwege de ruimtelijke inpassing.

DENK MARR AAN DE CHAOS OP SCHIPOL ALS JE WILT WETEN WAT EEN STROOMSTORING VOOR GEVOLGEN HEEFT

Wat ook een snelle oplossing in de weg staat, is het tekort aan technisch personeel. Zo is alleen Alliander al op zoek naar driehonderd technici. Projecten duren daardoor nu al langer dan nodig is. Bedrijven in de energiesector zetten met ROC’s opleidingstrajecten op om jonge technici te werven. Zelfs pensionado’s worden benaderd om nog een paar jaar door te werken. Maar de energiesector is niet als enige op zoek naar technisch talent. Ook de installatiesector, die veel werk in de energietransitie ziet, heeft mensen nodig. Net als de datacenters en de rest van de ict-sector zelf.

KUNNEN WE ONDERTUSSEN HET HUIDIGE NETWERK BETER GEBRUIKEN?

Ja, door het stroomgebruik slimmer over de dag te verdelen. De elektrische auto hoeft bij thuiskomst niet meteen aan de oplader; dat kan ook ergens ’s nachts, als het stroomverbruik lager ligt. De prijs van stroom kan dan ook een stuk lager liggen. Meer gebruik van opslag van stroom in accu’s en batterijen zou ook helpen.

Slim gebruik gebeurt nu nog maar mondjesmaat, zegt brancheorganisatie Nederland ICT. Die vindt in het algemeen dat in de planning van de energietransitie tot dusver vooral wordt gekeken naar de productiekant. Vanaf nu moet ook goed worden gekeken naar de consumptiekant: wat betekent de verandering van de energievoorziening voor de afname ervan? Want het is mooi als we straks helemaal duurzaam zijn in de opwekking van energie, maar die energie moeten we vervolgens wel kunnen gebruiken met z’n allen.

Bron: VNO-NCW – 25 september, 2018